60 seconden-column: Rivaliteit

Milo Lambers

Ooit vertelde ik een meisje dat ik gek was van voetbal. Ik kon zien dat ze teleurgesteld was. Voetbal stond voor haar gelijk aan eencellige idioten voor wie wedstrijdbezoek vooral een gelegenheid was om er weer eens lekker op los te schelden en te slaan.

Noem het kortzichtig, maar vorige week kwam die gedachte ook bij mij naar boven. Voor Feyenoord-Ajax dook er op sociale media een foto uit de Tweede Wereldoorlog op van een jongetje met een Jodenster. ’Toen 020 nog maar een ster had’, luidde het onderschrift, verwijzend naar de drie kampioensterren van Ajax. In Italië hingen fans van Lazio Roma stickers van Anne Frank in een AS Roma-shirt op. ’Alle AS-fans zijn Joden’.

Om het cliché te gebruiken: een paar idioten verpesten het weer voor de rest. En dat is zo zonde. Want met rivaliteit op zich is niets mis. Je Feyenoord-collega maandagochtend lachend opwachtend bij de deur, dat is leuk. Zodra rivaliteit overslaat naar haat gaat het mis en begrijp je niet waar voetbal omgaat.

Een dag na de Klassieker zag ik honderden kinderen op de Ajax Kids Tour bij Stormvogels voetballen. Allemaal in het rood-wit, allemaal lachend. Hun ’cluppie’ had Feyenoord verslagen en nu waren ze allemaal een dagje zelf ’Ajacied’. ’Wij zijn de beste’, riepen ze. Inderdaad: voorbeeldsupporters zijn het.

Meer nieuws uit IJmond

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.