Premium

Het grillige noorden van IJsland

Het grillige noorden van IJsland
De Aldeyjarfoss met getekende rotswanden.
© Foto Faralda Houthuijsen

De meeste bezoekers van IJsland blijven in het zuiden hangen, maar het is niet ondenkbaar dat Reykjavik Airport bij een volgende vulkaanuitbarsting in zee verdwijnt. Noord-IJsland heeft een vliegveld in Akureyri. Mede daarom vraagt het om aandacht. Terecht.

Vanaf 12 december tot Kerstmis arriveert iedere dag een trolachtig wezen in IJsland. Hij bezoekt alle huizen met kinderen, die hun mooiste schoen bij het raam hebben gezet. Is het kind zoet geweest, dan doet hij er een cadeautje in, maar heeft het zich slecht gedragen, dan vindt het een rauwe aardappel.

Deze dertien Yule Lads (zoons van de stoutekinderenverslindende trollen Grýla en Leppalúði) wonen in Dimmuborgir in Noord-IJsland. In één van de grotten hangt hun naambordje en staat wat huisraad. Wie door het gebied vol grillige rotsen en scheuren in alle formaten loopt, kan zich goed voorstellen dat in dit land allerlei mythen en legenden ontstaan. Er zijn immers ontelbare gaten en andere plekken waar de fantasierijkste wezens zich kunnen schuilhouden.

In hetzelfde gebied is in lang vervlogen tijden een kerk uitgehouwen in de rotsen. Veel stelt het niet voor: het is slechts een enkele meters brede boog die middenboven uitloopt in een punt. Met een beetje fantasie zijn daarnaast twee ogen te ontwaren. De vloer loopt schuin af en ligt bezaaid met rotsen. Er is niets dat religieus aandoet: geen altaar, geen beelden, niet eens banken. „Het is nog een katholieke kerk”, vertelt onze gids Hjalti Þórarinsson van Visit North Iceland met lichte spot. „Die deden aan zelfkastijding en zo. Hier een uurtje zitten luisteren naar de mis is dan een goede oefening.”

Rond het jaar 1000 werden alle heidense religies verboden in IJsland, al mocht iedereen in eigen huis belijden wat hem beliefde. Het christendom (destijds katholicisme, tegenwoordig lutheranisme) werd de staatsgodsdienst. Wetspreker Þorgeir Ljósvetningagoði, die heidens priester was, besloot hiertoe. Om zijn bekering kracht bij te zetten, wierp hij al zijn afgodsbeelden in een waterval die hij passeerde. Die kreeg daarop de naam Goðafoss, ’Waterval van de goden’.

Skjálfandafljót

De Goðafoss stort twaalf meter naar beneden in een soort kom. De vertakkingen over dertig gekromde meters en de millenialang tot wonderlijke tekeningen bewerkte wanden geven de waterval een gracieuze uitstraling. Toeristen nemen er dan ook graag een kijkje.

Zo’n veertig kilometer stroomopwaarts, ook in de gletsjerrivier Skjálfandafljót, is nog een flinke waterval: de Aldeyjarfoss. Daar staan we met ons groepje alleen. Dat is goed te begrijpen, want de weg die we volgden was smal en vol grof grind. „Je kunt hier beter niet zelf heen rijden en zeker niet in een kleine of gewone auto”, waarschuwt Hjalti, terwijl hij ons Mercedesbusje in hoge snelheid voortstuwt. Hij geniet ervan. „Je moet echt een fourwheeldrive hebben, liefst met gids.” De enkele tegenligger die we passeren, doet grote zandwolken opstuiven alsof we ons in woestijngebied bevinden. Waarschijnlijk hebben we zelf ook zo’n wolk om ons heen, want na de rit is onze bus niet langer zwart, maar beige-grijs.

Het uitzicht bij de parkeerplaats met toiletgebouw waar de deuren naast liggen is magistraal: bruingrijs golvend zandgebied bezaaid met keien zover het oog reikt, afgebakend door zwarte bergen met witte ijsstrepen. Het paadje naar de waterval lijkt op te lossen in het niets, maar blijkt vrij stijl af te dalen. Eenmaal over de rand zien we een zeegroene lijn met witte schuimkoppen het landschap doorsnijden. Hij vormt een scherp contrast met de omgeving. We lopen verder en krijgen de waterval in het zicht. Ook hier zijn de wanden grillig getekend door de elementen. Er is zelfs vlak naast de waterval een grot uitgehouwen. Ongetwijfeld houden trollen of onzichtbare mensen daar af en toe bijeenkomsten.

Dettifoss

Zowel de Goðafoss als de Aldeyjarfoss zijn mooier dan de bekendste waterval van IJsland: de Dettifoss. Die is de krachtigste van heel Europa: gemiddeld stroomt er 200.000 liter water per seconde naar beneden - wanneer gletsjers smelten in het voorjaar, kan dat zelfs 400.000 liter zijn. Bussen vol toeristen van over de hele wereld rijden hier dan ook af en aan. De meeste reizigers lopen over een glibberig pad door een waas van druppels naar een uitkijkpunt boven de waterval, enkelen wagen zich op het plateau halverwege. Zij krijgen gegarandeerd een nat pak. Hoewel het water 44 meter vallend aflegt over een breedte van honderd meter, is de rechte lijn waarover dat gebeurt weinig interessant. Het water stroomt over een gladde rand en er zijn weinig spectaculaire wandtekeningen.

Wel spectaculair is het zwavelveld in Mývatn. Het lijkt of we op een andere planeet terecht zijn gekomen. Blauwgrijze modder borrelt op in kleine kraters en naar rotte eieren geurende witte wolken stomen onafgebroken uit rotsstapels. Daartussen zijn gebieden met schijnbaar door elkaar geroerde licht- en donkergrijze, gele en groene vlekken, waar her en der stoom overheen stroomt. Deze vlekken, waar soms de aarde gebarsten is, zijn met touwtjes afgezet. „Je kunt door de korst zakken en het is daaronder zo’n 200 graden”, legt Hjalti uit.

Het grillige noorden van IJsland
Het zwavelveld bij Mývatn.
© Foto Faralda Houthuijsen

Even verderop kan gebaad worden in zwavelwater, dat goed schijnt te zijn voor de huid. De hete zwavelstroom wordt gekoeld met koud water, dat ook uit de grond komt - een natuurbad, dus. Overal in IJsland zijn natuurbaden te vinden waar heet en koud water uit de bergen worden gemengd tot een aangename temperatuur. Een bijzonder bad is Geosea in Húsavík. De moderne architectuur doet het lijken of we in de baai zitten, hoewel het bad daar in feite meters boven staat.

Walvisjacht

Ware geluksvogels zien vanuit het bad walvissen zwemmen in de baai. Wij hebben dat geluk niet en gaan dus mee op een walvisvaart vanuit Hauganes. De tocht door het Eyjafjörður (’Eilandfjord’) is op zich al prachtig: het is bewolkt, maar de zon geeft de bergen aan de horizon fel verlichte toppen, want die liggen ook laat in het voorjaar nog vol sneeuw en ijs.

De bemanning heeft al vrij snel een walvis in de smiezen, maar voor wij, leken, die zien, kruipen tergende minuten voorbij. We staren ons blind op de kabbelende golven, tot iemand ineens enthousiast wijst en uitroept: „Daar! Daar!”

Helaas krijgen we geen show van spelende dolfijnen of oprijzende kolossen die zich waterfonteinen vormend weer laten neerploffen, maar we zien wel de rug en staart statig langs glijden van de grootste soort die hier zwemt: de bultrug. De kapitein draait de boot en probeert zo dicht mogelijk bij het dier te komen. De camera’s klikken onafgebroken.

Het grillige noorden van IJsland
Sierlijk zwiept een bultrug zijn staart omhoog voor hij minutenlang onder water blijft.
© Foto Faralda Houthuijsen

Al snel zwiept het bakbeest sierlijk zijn staart omhoog. „Hij duikt; dan zien we hem een minuut of vijf tot tien niet”, schalt het over de boot. Zo gaat het een keer of vijf. Het wordt een sport om de bultrug als eerste weer in de gaten te hebben.

Nationale trots

Sommige ’whale watchers’ bieden de mogelijkheid om ook op zoek te gaan naar papegaaiduikers, de nationale vogel. Een andere landelijke trots is het IJslandse paard (geen pony!). Ieder paard in IJsland is per definitie IJslands, want met het oog op ziekteverspreiding is import streng verboden. Een paard dat eenmaal het land verlaten heeft, komt er ook niet meer in.

De IJslander is bijzonder vanwege zijn gangen. De meeste paarden kunnen stappen, draven en galopperen en IJslanders hebben daarnaast nog één of twee gangen, waarin de rijder bijna stil zit en dus bijvoorbeeld een vol glas bier in de hand kan houden zonder een druppel te verspillen. Dat is een koddig gezicht, zien we bij de stallen van Gauksmýri lodge. Die staat dicht bij Hvammstangi, waar de zeehond weer centraal staat. Er is een zeehondencentrum en hier gaan vaartochten naar gebieden waar veel zeehonden te vinden zijn. Helaas moet de boot op afstand blijven en zijn de zeehonden niet zo nieuwsgierig als wij zouden willen.

Arctic Coast Way

Er valt dus genoeg te beleven in Noord-IJsland. Alleen al de landschappen die om iedere hoek veranderen, zijn het bezichtigen waard. Om het bezoekers makkelijker te maken hun weg te vinden en een mooie route te bieden, wordt vandaag de Arctic Coast Way geopend. Die volgt voor het grootste deel de kust van Hvammstangi in het noordwesten naar Bakkafjörður in het noordoosten. Dat betekent een rit van 900 kilometer langs zes schiereilanden en fjorden.

Het enige nadeel van het land is dat het leven er - naar onze maatstaven - nogal prijzig is.

Het grillige noorden van IJsland
Veel stranden in Noord-IJsland zijn zwart, zoals dit aan het Húnafjörður.
© Foto Faralda Houthuijsen

Wat & waar

Sinds 27 mei vliegt Transavia iedere maandag t/m 9 september van Rotterdam naar Akureyri en terug. Boeken kan via Voigt Travel, die complete reizen aanbiedt: www.voigt-travel.nl. Lezers van deze krant mogen mee op een gratis walvissafari, wanneer zij bij Voigt Travel een fly & drivereis boeken die tussen 10 juni en 2 september 2019 vertrekt. Vermeld bij boeking actiecode NHD19.

Meer nieuws uit Lifestyle

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.