Premium

Martha van Konijnenburg: omgekomen in Ravensbrück als nummer 94696

Martha van Konijnenburg: omgekomen in Ravensbrück als nummer 94696
Martha van Konijnenburg op een foto uit 1930
© Archief Stedelijk Gymnasium Haarlem
Haarlem

Martha van Konijnenburg is geboren in 1914 en bracht haar jeugd door in Haarlem. Toen haar vader, die in 1918 aan de slag ging als de eerste GG-GD-arts in Haarlem, in 1936 met pensioen ging, verhuisde het gezin naar de Euterpestraat in Amsterdam. Schuin tegenover de meisjes-hbs waar vanaf 1940 de Sicherheitsdienst zat en gevangenen martelde en doodsloeg. De straatnaam werd synoniem voor vervolging en dood. Na de oorlog werd zij veranderd in Gerrit van der Veenstraat, genoemd naar de gefusilleerde verzetsstrijder.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Het was de SD die Martha, die behoorde tot een half-Joods, niet religieus gezin, oppakte in 1944, daags nadat op 6 juni de geallieerden landden op de stranden van Normandië.

Een lijdensweg begon die via kampen voerden naar Ravensbrück, waar zij op 7 maart 1945 om drie uur ’s middags overleed.

De Haarlemse emeritus-predikant Alle G. Hoekema ging de levensloop van Martha van Konijnenburg na voor deze publicatie op haar 75e sterfdag. Hoekema is eind 1941 geboren in een Fries dorp en kent de oorlog alleen van verhalen van anderen.

„In dat dorp gebeurde ook weer niet al te veel; honger werd er niet geleden, er waren natuurlijk wat ’foute’ dorpelingen, en af en toe moest iemand even onderduiken. Ook mijn vader die daar dominee was. Mijn eigen eerste herinnering is van vlak na de oorlog toen Canadese soldaten ingekwartierd waren bij mijn grootouders in Heerenveen”, vertelt Hoekema.

Martha van Konijnenburg: omgekomen in Ravensbrück als nummer 94696
Alle G. Hoekema, emeritus-predikant te Haarlem ging de levensloop van Martha van Konijnenburg na.
© United Photos/Remco van der Kruis

Een paar jaar geleden vroeg de Weesper VU-historicus Gjalt Zondergeld hem of Martha van Konijnenburg gedoopt was in de Haarlemse doopsgezinde gemeente, de kerk waar Hoekema predikant was.

„De vraag was eenvoudig te beantwoorden: ja, op 4 november 1934 met 66 andere volwassen jonge mensen, onder wie een paar oud-klasgenoten en haar twee jaar jongere broer. De naam van Martha wordt met die van 88 anderen vermeld op een plaquette tegenover de aula van het VU-hoofdgebouw.”

Hieronder het relaas van Hoekema:

,,Natuurlijk was Martha van Konijnenburg maar een van de zeer vele oorlogsslachtoffers. Maar elke naam is belangrijk en de vraag triggerde mijn belangstelling. Sindsdien heb ik gepassioneerd geprobeerd iets dichter bij haar korte, tragische leven te komen. Keer op keer leidden de archieven me op dood spoor. Toch is het goed om iets te zeggen over het onvoltooide resultaat van die speurtocht, ’want een naam wil leven’, schrijft de dichter.

Martha van Konijnenburg, geboren twee maanden voordat in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, hoorde tot een half-Joods, niet-religieus gezin; haar moeder en (Frans-Elzassische) grootouders aan moeders kant waren Joods.

Donkere vlechten

Haar vader was vanaf 1918 de eerste GG-GD arts in Haarlem; een zeer gerespecteerd man. Vanaf 1933 moet het besef van hun Joodse achtergrond een vreselijke druk gelegd hebben op het gezin. Martha bezocht, evenals haar broer, het Stedelijk Gymnasium in Haarlem – ook mijn oude school.

De archieven van die school maakten me niet veel wijzer. Er was sprake van een ’kwestie-Martha’: blijkbaar was ze een jaar ziek; daarna mocht ze ’op haar gemak’ weer toelatingsexamen doen voor de hoogste klas, zodat ze uiteindelijk na acht jaar in 1934 haar diploma alfa haalde.

Dankzij Marcel Hummelink, geschiedenisleraar aan dat Gymnasium, vonden we één fotootje uit 1930. Een klassefoto met een oude gymleraar in het midden. Een meisje met donkere vlechten zit op de trappen van de Kloveniersdoelen in Haarlem, toen de gymzaal van haar school, nu de openbare bibliotheek.

Is het toeval dat ze aan de rand van de groep zit en zo ernstig kijkt? Het is de enige foto van haar die ik heb kunnen vinden; bij andere klassefoto’s staan helaas geen namen.

Martha van Konijnenburg: omgekomen in Ravensbrück als nummer 94696
Martha van Konijnenburg staat op de tweede rij van boven rechts op deze klassenfoto uit 1930.
© Archief Stedelijk Gymnasium Haarlem

Het gezin verhuisde na de pensionering van haar vader in 1936 terug naar Amsterdam, misschien wel om dichter bij de Joodse oma aan moeders kant te zijn. Zij was sinds 1929 weduwe en woonde in een Joods pension Cohen op het Daniël Willinkplein, nu Victorieplein. De angst voor oorlog groeide met de dag. Van Konijnenburg bracht uit voorzorg een deel van zijn vermogen onder in Engeland volgens het enige dossier over de familie in het Nationaal Archief.

Martha ging in 1937 rechten studeren aan de Gemeentelijke Universiteit en behaalde in juni 1941 haar meesterstitel.

Toen was het al niet meer leuk in die rechtenfaculteit. Een aantal maanden later werden alle Joodse hoogleraren ontslagen, evenals andere critici van het regime, zoals de decaan Derkje Hazewinkel-Suringa die er tevergeefs voor had gepleit de universiteit te sluiten uit solidariteit met haar Joodse collega’s.

De half-Joodse Martha kreeg speciale toestemming van de rector van de ’goede’ VU, Victor Rutgers, om zich daar te specialiseren in het notariaat. Intussen moet ze ook gewerkt hebben bij Centraal Beheer op het Singel 126-130 in Amsterdam. Maar daar loopt mijn spoor opnieuw dood.

Vermoord

Het gezin Van Konijnenburg woonde Euterpestraat 76 (na de oorlog meteen omgedoopt in Gerrit van der Veenstraat), bijna schuin tegenover de meisjes-hbs waar vanaf 1940 de gehate Sicherheitsdienst zat en gevangenen martelde en doodsloeg.

Vanuit hun raam zagen ze die SD’ers dus langs marcheren. Zo kwam de terreur dichtbij.

Oma en mogelijk ook moeder moesten een Jodenster op hun kleding dragen en werden uitgesloten van bezoek aan publieke ruimtes. De kinderen moeten de intimidaties dagelijks hebben ervaren. Oma Sophia Ernst was in april 1943, 91 jaar oud, de eerste die een gruwelijk lot onderging, via Westerbork naar Auschwitz. Ook alle andere bewoners van haar pension zijn vermoord.

Een jaar later was moeder Irma van Konijnenburg-Ernst bijna aan de beurt. Gemengd gehuwde Joodse vrouwen hoorden, in de woorden van de Niod-onderzoeker Coen Stuldreher, tot de ’legale rest’ die mocht blijven.

Maar toch werden ze voortdurend bedreigd en stonden ze voor de afschuwelijke keuze: deportatie of gedwongen sterilisatie.

Afgevoerd

Dat leidde al in 1943 tot heftige protesten uit de samenleving. Eind maart 1944 hielden de Duitsers weer eens razzia’s in Den Haag en Amsterdam; enkele honderden gemengd gehuwde Joden werden afgevoerd naar Westerbork.

Onder meer de gezamenlijke kerken, die in totaal tientallen brieven en telegrammen naar Seyss-Inquart hebben gestuurd in de oorlog, protesteerden fel, Gelukkig kwam een aantal gedetineerden na enkele dagen weer vrij. Voor de Van Konijnenburgs gaf dat maar even soelaas. Op 6 juni landden de geallieerde troepen in Normandië, maar op de dag erna werd Martha gevangengenomen door de SD.

Opnieuw loopt het spoor hier dood. Ze kwam terecht in Huis van Bewaring II aan de Havenstraat 6. Daar zaten politieke en verzetsgevangenen. Communicatie met de familie was vrijwel uitgesloten; die kreeg alleen een voorbedrukt briefje met instructies voor de was.

Radeloos

Toen de Duitsers in mei 1945 de aftocht bliezen, vernietigden ze alle dossiers. We zullen daarom waarschijnlijk nooit weten, waarom Martha opgepakt werd. Zat ze bij een verzetsgroep? Maar welke dan? Misschien een groep die viel onder de (ten dele communistische) Raad van Verzet? Of toch CS 6, waartoe nogal wat Amsterdamse doopsgezinden hoorden, zoals Mies Boissevain-van Lennep, die later ook in Ravensbrück gevangen zat?

Intussen deed haar radeloze vader alle moeite te achterhalen waar ze zat. Het Niod heeft een brief van hem bewaard aan mevrouw Eelkje Timmenga-Hiemstra – gezegend zij haar naam - die met vele honderden gevangenen in Vught en hun families illegaal contact onderhield. Maar waarschijnlijk is Martha nooit in Vught geweest.

Van Konijnenburg nam ook contact op met Jan de Pont, die een advocatenkantoor had op de Keizersgracht (nu Huis Marseille) en gevangen leden van de Trouw- en van de Parool-groep als advocaat bijstond.

Transport

De Pont stond bekend als een onverschrokken strafpleiter, die ook tegenover Duitsers een ’bek op poten’ was, zoals een confrère hem typeerde. De Pont, in oktober 1944 gevangengezet, schreef eind september van dat jaar een brief aan het hoofd van de Duitse gevangenis op het Wolvenplein in Utrecht waarin hij voor 42 gevangenen, onder wie Martha, vrijspraak verlangde. Vergeefse moeite.

Want op 21 augustus was ze al op transport gezet naar Westerbork. Daar kwam ze terecht in de met extra prikkeldraad omgeven strafbarak 67. Daar zat ook de familie Frank en Lien en Janny Brilleslijper, wier lot zo mooi verhaald is door Roxane van Iperen in haar boek ’’t Hooge Nest’. Hebben ze elkaar in die barak ontmoet of later in Bergen-Belsen? Opnieuw, we weten het niet.

Dan gaat het snel. Op zondag 3 september vond het laatste transport naar Auschwitz plaats, met Margot en Anne Frank en hun ouders, de hele familie Brilleslijper en duizend anderen. De dag erna een trein richting Theresienstadt, onder andere met de pianiste Ida Simons, verschillende christen-Joden en een groep ’Barnevelders’. Weer twee dagen later: Dolle Dinsdag, dag van schandelijke vlucht van duizenden NSB’ers met eventjes hoop voor velen in het land.

Overvol

Maar op 13 september stond kampcommandant Gemmeker waatschijnlijk weer met zijn gepoetste laarzen paraat bij de allerlaatste trein, die uit Westerbork zou vertrekken voordat vier dagen later een algemene spoorwegstaking zulke transporten eindelijk verhinderde: 279 gevangenen voor Bergen-Belsen.

Onder hen een groep Joodse diamantbewerkers (die waren kostbaar voor de Duitsers), 58 straffällige Mischlinge waar Martha van Konijnenberg ook bij hoorde (hoezo, straffällig?) en David Asscher (een der voorzitters van de Joodsche Raad) en vijftig ’onbekende kinderen’, waarover Daphne Meijer in 2001 ontroerend heeft geschreven.

Dankzij haar boek weten we dat die trein zijn doel normaal gesproken in vijf uur had kunnen bereiken, maar in feite drie gevaarlijke dagen en nachten nodig had om bij dit concentratiekamp in de buurt van Celle te komen.

Dat raakte overvol met Joodse en politieke gevangenen uit oostelijk Europa nu de Duitsers zich daar hals over kop terugtrokken. Martha van Konijnenburg zat daar twee maanden. Medio december werd ze, waarom is niet te achterhalen, doorgestuurd naar het vrouwenkamp Ravensbrück waar vele tienduizenden vrouwen (en ook mannen) onder afschuwelijke omstandigheden verkeerden. Ze werd een nummer: 94696.

Martha van Konijnenburg: omgekomen in Ravensbrück als nummer 94696
© Advertentie in de krant De Waarheid van 8 oktober 1945

Hoe Martha daar de gruwelijke en extreme koude wintermaanden doorbracht, weten we niet. Het valt helaas wel te raden. Van de bijna duizend Nederlandse vrouwen in Ravensbrück kwamen waarschijnlijk meer dan 400 om door ziekte, uitputting, executie.

Martha van Konijnenburg stierf daar op 7 maart. Haar naam vind ik niet op een lijst van zieken, die in het nabije vernietigingskamp Uckermarck tot de gaskamer en verbrandingsoven werden veroordeeld, zoals Geertje Pel-Groot uit Zaandam.

Maar wat zegt een lijst? De officiële overlijdensacte van de Arrondissementsrechtbank in Amsterdam vermeldt op 7 juni 1949, dat ze op 7 maart 1945 ’des namiddags om drie uur’ is gestorven. Was er misschien een medegevangene bij haar, toen ze de laatste adem uitblies en heeft die daar naderhand van getuigd? Hoe wist men anders dat ze om drie uur ’s middags stierf?

Een maand later arriveerden door bemiddeling van graaf Bernadotte de eerste Zweedse Rode-Kruisautobussen om gevangenen te bevrijden. Eind april 1945 stond het Rode Leger voor de poort. De familie Van Konijnenburg in Amsterdam zal nog even gedacht hebben dat hun dochter terug zou keren maar moest snel alle hoop laten varen.

Ik kijk naar het fotootje van het ernstige meisje met lange vlechten. Haar naam staat op die plaquette in de VU en is gelukkig sinds kort ook opgenomen in het (digitale) Joods Monument, mét de naam van haar oma.

Eén van de 104.000 lichtgevende stenen, die Daan Roosegaarde als tijdelijk Shoah-monument vervaardigde, herinnerde aan haar: Levenslicht. ’Ze was een zegen voor velen’ zegt de sobere rouwcirculaire die haar ouders en broer op 22 augustus 1945 lieten plaatsen in Haarlems Dagblad (en die merkwaardig genoeg op 8 oktober van dat jaar ook in de de stadseditie van de communistische krant De Waarheid is afgedrukt).

Meer heb ik niet over haar kunnen vinden. Het is niet veel en niet genoeg. Maar ik kon het niet aanzien, dat haar naam verdwijnen zou.”

Op 1 april wordt om 14.00 uur in de VU een boek gepresenteerd dat onder redactie van Wim Berkelaar e.a. verschijnt en ingaat op alle 89 slachtoffers die op de plaquette in het VU-hoofdgebouw vermeld staan.

Meer nieuws uit Haarlem

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.