Zorgelijke stedebouwer: Koester het kerkgebouw als plek van verstilling

Zorgelijke stedebouwer: Koester het kerkgebouw als plek van verstilling
De in expressionistische stijl gebouwde Pniëlkerk in Den Haag ging recentelijk plat om plaats te maken voor appartementen.
© Foto ANP

Door sloop en verkeerde herbestemming gaat de beleving van de unieke architectonische ruimte van het kerkgebouw teloor, stelt architect en stedebouwkundige Leo Q. Onderwater.

Honderden Rooms-katholieke kerkgebouwen en Protestantse godshuizen zijn – door ontkerkelijking en te hoge onderhoudskosten – de laatste decennia onder de slopershamer verdwenen of op een niet passende wijze herbestemd. Hoelang nog voor dat de laatste kerken zijn gesloopt dan wel ernstig verminkt?

De Rooms-katholieke Nederlandse kerkprovincie stelt dat, ter voorkoming van ontheiliging, kerken niet moeten worden herbestemd maar gesloopt. Men is erop beducht dat kerkgebouwen zullen worden gebruikt als discotheek, casino, grand café, fitnesscentrum of supermarkt.

Te vaak wordt een ex-kerkgebouw door projectontwikkelaars volgepropt met woningen of kamertjes van bijvoorbeeld een wijkcentrum. Dat zijn bestemmingen die de sacrale sfeer en de architectonische beleving van het kerkgebouw geweld aandoen. Maar er zijn ook functies die wel goed samengaan met het spirituele karakter van het kerkgebouw. Zoals een relatief stille activiteit als een bibliotheek, concertzaal, conferentiecentrum of een museale functie.

Met name nu het coronavirus zo wild om zich heen slaat, zijn kerkgebouwen een probaat middel voor het geven van concerten. Het bijwonen van concerten in de reguliere zalen moet immers worden beperkt: bezoekers kunnen in kerken op ruime afstand van elkaar het concert bijwonen.

Rendement

Maar waarom kan het kerkgebouw als plek van verstilling en verwijzing naar de culturele en de architectonische geschiedenis, niet zonder meer blijven bestaan? Waarom moet alles worden vertaald in economisch rendement? Een stadsplein of park wordt ook niet op basis van economisch rendement aangelegd, maar sec vanwege de maatschappelijke behoefte.

Door de eeuwen heen zijn het kerkgebouw de meest gewenste omgevingen geweest wanneer de dagelijkse beslommeringen de mens te machtig werden. Net zoals in het museum en in de concertzaal wordt de naar zingeving zoekende mens ook in kerkinterieurs boven zijn ’deprimerende’ gedachten uitgetild. Waarom is er wel veel respect en belangstelling voor de religieuze klassieke muziek, met name tijdens de passietijd, maar niet voor religieuze architectuur?

In alle bouwstijlen zijn kerkgebouwen in de loop der geschiedenis gerealiseerd. Daarbij behoeft niet slechts aan de vroegchristelijke, Romaanse, gotische, barokke en de neostijlen van de negentiende eeuw te worden gedacht. Ook alle architectuurstromingen van de afgelopen eeuw, zoals de Bossche, Delftse en Amsterdamse School, het structuralisme, het rationalisme en zelfs het vroeg- en laat-modernisme zijn in kerkarchitectuur ruim vertegenwoordigd. Kerkgebouwen verwijzen niet alleen naar de geschiedenis van het christelijke gedachtegoed: ze vertegenwoordigen bij uitstek de architectuurstromingen en de culturele ontwikkelingen die zich in Noordwest Europa hebben voorgedaan.

Het kerkgebouw kan letterlijk als een ’monument’ ofwel een ’lieu de mémoire’ worden opgevat. Het gebouw staat er als een metafoor voor de ’opslag’ van het collectieve geheugen. Het is de plek ter herinnering, waar je samen de liturgie kunt vieren; als een eerbetoon aan de Heilige Geheimen van de dood – en voor gelovigen de verrijzenis. Door het ’heilige graf’ werd het kerkgebouw een geheiligd gebouw en de uitgelezen plek voor de doden, die er eeuwenlang werden begraven. Het altaar op zichzelf is al een graf en niet zelden uitgevoerd als sarcofaag. Het witte linnen waarmee het wordt afgedekt symboliseert daarbij de lijkwade.

Het is naast het gebrek aan kennis van de religieuze geschiedenis vooral ook de minachting voor het cultureel erfgoed die tot ergernis leidt. Waar de beelden, symbolen en rituelen van het christendom voor staan, vraagt nagenoeg niemand zich meer af. Niettemin raakt het bezoek aan een kerkgebouw menigeen in de emotie en dwingt velen – ook niet-gelovigen – tot reflectie.

Bewust

In de Mediterrane landen is het onbestaanbaar dat het kerkgebouw met zijn geprononceerde campanile – als landmark – geen deel meer uitmaakt van het dorps- of stadssilhouet. Ofschoon ook daar het kerkbezoek sterk is teruggelopen, wordt er alles aan gedaan om het kerkgebouw als de fysieke entiteit van de plek ter herinnering in stand te houden. Italianen en Spanjaarden zijn zich meer bewust van hun culturele geschiedenis en bereid daarvoor een (financieel) offer te brengen.

Kerkgebouwen maken net zoals paleizen, kastelen, bruggen, concert- en theaterzalen, stadhuizen, oorlogsmonumenten en standbeelden deel uit van het cultureel erfgoed. Een samenleving zonder tastbare geschiedenis, ook die van de kerkarchitectuur, is een samenleving zonder identiteit. Architectuur – als de moeder aller kunsten – is immers de enige constante in de tijd.

Kerken met hun smalle en ranke torens vormen een oriëntatiepunt voor de wijk, de stad of het dorp. De karakteristieke buitenruimten, zoals kerkhoven en kerkpleinen, vervullen nog steeds een sociale functie, met name in dorpen en kleinere steden; ook al heeft het kerkgebouw zijn ’religieuze’ functie verloren.

Er moet van overheidswege dan wel door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beleid worden ontwikkeld om rijksmonumentale kerkarchitectuur op een verantwoorde wijze te herbestemmen, want ook rijksmonumenten worden door een verkeerde herbestemming onherstelbaar verminkt.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.