Links keert zich af van overconsumptie, rechts van overheidscontrole | opinie

Drukte in de Kalverstraat in Amsterdam met winkelend publiek.

Drukte in de Kalverstraat in Amsterdam met winkelend publiek.© ANP

Michiel S. de Vries

Hoogleraar bestuurskunde aan de Radboud Universiteit Michiel S. de Vries vindt dat draagvlak kweken voor beleid nu meer aandacht nodig heeft dan het opstellen van langetermijnvisies.

Van alle kanten en op alle beleidsterreinen wordt in de politiek gevraagd om een langetermijnstrategie. Van de aanpak van de klimaat- tot de woningcrisis, van datacenters tot de structuur van de gezondheidszorg, iedereen ziet het ontwikkelen van zulke visies als noodzaak binnen de gewenste nieuwe bestuurscultuur. Ook minister-president Rutte gaat daarin graag mee.

Daar kleven nadelen aan. Als bijna een jaar na de verkiezingen een nieuw kabinet is aangetreden en wordt gevraagd om een langetermijnvisie, kan dat alleen betekenen dat nieuw beleid daarop zal moeten wachten. Wellicht zelfs tot na de volgende verkiezingen. Dat blijkt uit het coalitieakkoord. Daarin staat bijvoorbeeld dat het ernstig is gesteld met de slachtoffers van de toeslagenaffaire. Dat vraagt om nieuw beleid en een nieuwe cultuur. Dus wat stellen de coalitiepartners voor? We zetten dat wat al eerder was afgesproken door en zetten de stip aan de horizon op 2023 of later. Oftewel, als deze regering met een langetermijnvisie komt, dan is de boodschap, ’val ons hier dan voor de volgende verkiezingen niet meer mee lastig, want die zijn er al op korte termijn’.

Het verlangen naar zo’n langetermijnvisie is ook paradoxaal. Als de pandemie iets duidelijk heeft gemaakt is het dat zulke visies tegen hun grenzen zijn aangelopen. De langetermijnstrategie van 15 jaar geleden was dat de overheidsschuld binnen een generatie moest zijn verdwenen. Die visie is met de pandemie en de andere uitdagingen waar dit kabinet voor staat in een keer van tafel geveegd.

Datzelfde geldt voor de recentere visie om te komen tot een participatiesamenleving. Daarmee werd feitelijk een standaardmens gecreëerd met een daarbij behorende strakke normering, vol met geboden en verboden. Het moest leiden tot een maatschappij vol met individualisten die niettemin identiek zijn. De standaard werd dat alle volwassen Nederlanders samen met hun partner tweeverdieners zijn, liefst werkzaam in de marktsector, die geen overheidssteun nodig hebben, veel consumeren, zich netjes houden aan de toenemende hoeveelheid geboden en die het toenemend aantal verboden niet overtreden. Nu wordt dat beeld al weer ter discussie gesteld via het nieuwe toverwoord ’de menselijke maat’ waarin juist om meer variatie wordt gevraagd en wat inherent strijdig is met een langetermijnvisie.

Eendimensionale mens

In 1964 schreef Herbert Marcuse zijn beroemde boek over de eendimensionale mens. Hij schetste een samenleving waarin mensen zich alleen nog binnen de smalle lijntjes van toenemende geboden en verboden kunnen begeven, onderworpen zijn aan een toenemende overheidscontrole en alleen nog mogen consumeren. Hij zal niet hebben bevroed dat die dystopie in deze eeuw zo dominant zou worden.

Zijn gelijk is zichtbaar in het overheidsbeleid van de afgelopen jaren dat was gericht op toenemend gebieden en verbieden, met als apotheose de lockdown. Als mensen die lockdown willen vermijden lijkt dat vooral om te kunnen blijven consumeren. Het alternatief dat Marcuse noemde is momenteel eveneens zichtbaar. Hij had het over de ’great refusal’, de grote weigering. Het gaat om een gedeelde afkeer – bij links van het overmatig consumeren en bij rechts van de overmatige overheidscontrole - die zich uit in boosheid, soms zelfs agressie bij al die mensen die zich teveel beknot voelen door standaarden die niet de hunne zijn.

De oplossing ligt niet een hernieuwde roep om vergezichten met bijbehorende verdere standaardisatie van menselijk gedrag. Daar is geen tijd voor, het is achterhaald, leidt niet tot nieuw beleid of een nieuwe bestuurscultuur, en heeft als neveneffect dat de echte individualiteit van mensen verder wordt beknot. Elke beleidsmaker weet dat het ontwikkelen van beleid een afweging is tussen langetermijneffecten, op korte termijn het doel bereiken, het creëren van draagvlak, en een optimale verhouding tussen doelen en middelen. Het alleen centraal stellen van de lange termijn, terwijl het gebrek aan draagvlak juist om aandacht vraagt, is het stellen van de verkeerde prioriteiten. Dat kan niet goed gaan.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.