Mijn nichtje herinnert me eraan dat we niemand achterlaten | column

Nhung Dam

Mijn nichtje (6) kon al een week niet slapen. Voor het eerst met de trein en dan ook nog eens bij tante Nhung logeren in Amsterdam. Ze wilde ook wel graag naar de dierentuin. Onderweg richting Artis zat ze bij mij achterop de fiets: „Zo druk hier, heel anders dan in Groningen.” Ze vertelde bevlogen dat het slecht gaat met de koalabeer en ze een brief heeft geschreven naar al haar klasgenoten om ze daarvan op de hoogte te stellen. Hopelijk waren de koala’s te zien in Artis.

Ze had voor de logeerpartij slechts twee van haar knuffelvrienden mogen meenemen. „Hoeveel heb je er dan?”, vroeg ik. „Vijftien. Ik was best verdrietig dat ik de rest moest achterlaten.” „Hoeveel had je er dan mee willen nemen?” „Alle vijftien natuurlijk.” Stomme vraag. Uili en Pimmie, de twee die ze wel had mogen meenemen, had ze op bed gezet, naast mijn knuffels. „Dan kunnen ze even aan elkaar wennen als wij op pad gaan”, verklaarde mijn nichtje.

„Dat is ook wel spannend hè”, zei ik, „logeren op een plek die je niet goed kent.” Mijn nichtje knikte. Na afloop mocht ze van me een nieuwe vriend uitzoeken in de Artiswinkel. Daar liep ze langs een grote giraffe en een olifant. „Die zijn wel heel duur, lieverd”, zei haar moeder, „je mag hier iets uitzoeken.” Ze wees naar de bakken waar kleine knuffeltjes in broekzakformaat lagen. Mijn nichtje dwaalde wat rond, ze zat te wikken en te wegen, waarna ze een piepkleine flamingo koos. Dit wordt hem? Ja, knikte ze, terwijl ze op haar lip beet. In de rij zag ik dat ze twijfelend naar de knuffel keek. Achterin had ik een ultrazacht, fluffig uiltje gezien, maar die lag in een duurdere bak. Mijn nichtje had er geen woord over gerept. De flamingo, zeker weten? Ja, knikte ze nogmaals moedig.

Wij kiezen als volwassene onze vrienden zorgvuldig uit, het is een serieuze aangelegenheid. Voor een kind is het niet anders, misschien nog wel belangrijker. Vlak voor het afrekenen, zei ik: „Dit is je nieuwe vriend niet hè?” Ze keek me aan. „Haal maar je vriend, dan nemen we hem mee naar huis.” Mijn nichtje liep linea recta naar de ultrazachte uil. Met een opluchting liet ze hem aan mij zien. „Maar je hebt thuis al een uil”, zuchtte haar moeder.

Mijn nichtje fluisterde me op de terugweg in mijn oor: „De uil thuis is zo alleen omdat hij niemand heeft die eruitziet zoals hij, nu heeft hij een vriend die precies op hem lijkt. Zo hoeft hij zich niet te schamen.” We kunnen de belevingswereld van een kind zo makkelijk van tafel vegen, terwijl wij als volwassenen net zo goed zorgvuldig onze vrienden kiezen. Mijn nichtje herinnert me eraan dat we niemand achterlaten, voor elkaar zorgen als de ander zich eenzaam voelt, en dat als je er een tikkeltje anders uitziet, er altijd een ander is die net zoals jij is. En dat dat vriendschap is.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.